De visarend

De visarend behoort tot de roofvogels, het is een vrij grote arend. De vogel kan een lengte hebben van 52 tot 60 cm en tussen de 1 en 2 kilo wegen. De spanwijdte van de vleugels is wel 145 tot 170 cm. De visarend heeft lange smalle vleugels, die aan de bovenkant donker bruin zijn. De onderkant van de vleugels is wit, met donkere armpennen. De visarend heeft enigszins geknikte vleugels, waardoor hij zich in de vlucht makkelijk laat onderscheiden van andere arenden, die rechte vleugels hebben. De rug van de vogel is donker bruin en de buik en kop zijn wit. Over het oog loopt bij de visarend een brede donkere streep en over de borst een vage bruine band. De staart is bruin met dwars donkerdere strepen. De poten zijn blauwachtig grijs. Dichtbij het nest laat de visarend vaak een schelle, muzikale fluitende of piepende roep horen, verder zijn ze meestal stil.

De visarend leeft voornamelijk bij beboste meren, rivieren en de zeekust. De vogel komt op alle continenten voor, behalve op Antarctica. In Europa leven ze voornamelijk in het noorden, maar ook in Portugal en op de Balearen worden ze gezien. Het aantal visarenden is in West Europa sterk afgenomen en in Nederland was het nog maar een zeldzame doortrekker, in het voor en najaar. Dit is te wijten aan de watervervuiling en de vervolging door de mens. De laatste jaren is er echter weer wat meer aandacht voor de natuur en sinds enkele jaren verblijven er nu ook in de zomer visarenden in de uitgestrekte moerasgebieden, zoals de Biesbos, De Wieden en Weerribben. Er zijn wereldwijd nog ongeveer 35000 paren.

De vogels uit de koudere streken overwinteren vaak in het zuiden.

Zoals de naam al doet vermoeden, leeft de visarend voornamelijk van vis. De vogel vliegt met een trage vleugelslag over het water en soms bijna stilstaand, biddend zoals een torenvalk, op zoek naar een prooi. Dan duikt de visarend met de kop vooruit naar beneden, om op het laatste moment zijn poten naar voren te gooien om de vis te pakken. Onder de poten zitten kleine stekels, zodat hij zijn prooi beter kan vast pakken. Soms verdwijnt de vogel helemaal onder water, om weer snel naar boven te komen. Hij schudt dan het water uit zijn veren en vliegt weg met zijn buitgemaakte vis. Op een kale tak boven het water gaat hij dan zijn maaltje verorberen.

Visarenden bouwen hun nest in hoge bomen in de buurt van het water, ze keren vaak jaren achter elkaar terug naar hetzelfde nest. Door de ronde onderbouw en de hoge plaats is het nest al op grote afstand te herkennen. De broedperiode begint eind april/ begin mei en kan de hele zomer duren. Het vrouwtje legt 2 tot 6 wit bruin gevlekte eieren en broed deze in haar eentje uit. Bij het voederen wordt ze wel door het mannetje geholpen. De eieren komen 1 tot 7 dagen na elkaar uit en de kuikens hebben eerst alleen dons. Na 42 dagen hebben ze de eerste complete veren, maar pas na 18 maanden hebben ze een volledig volwassen verenkleed.