Rembrandt Harmenszoon van Rijn

Rembrandt Harmenszoon van Rijn werd geboren in Leiden op 15 juli 1606 en overleed in Amsterdam op 4 oktober 1669. Rembrandt was een Nederlandse kunstschilder en is een van de bekendste en meest invloedrijkste Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. Hij maakte in zijn leven ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen. Hij speelde met kleur, licht en donker, waardoor zijn werken leken te leven. Hij maakte veel portretten en historische afbeeldingen, maar daarnaast heeft hij ook zelfportretten gemaakt. Op zijn schilderijen beeldde hij vaak zijn vrouw, Saskia van Uylenburgh, en zoon, Titus van Rijn, af. Hij schilderde mensen uit alle lagen van de bevolking, waardoor hij overal ter wereld gewaardeerd wordt. Hij was ook de enige Hollandse schilder die zijn werken met zijn voornaam signeerde.

Zijn leven

Hij werd in Leiden in de Weddesteeg geboren als negende kind van molenaar Harmen Gerritsz. Zijn moeder, Neeltje van Zuytbrouck, was een dochter van een welgestelde bakker. Hij ging eerst naar de Latijnse school en vanaf zijn veertiende ging hij naar de universiteit van Leiden. In 1621 ging hij in Leiden in de leer bij historieschilder Jacob van Swanenburgh. In 1625 ging hij naar Amsterdam om het vak verder te leren van Pieter Lastman. Samen met Jan Lievens opende hij een eigen atelier in Leiden. Vanaf 1627 nam bij ook eigen leerlingen aan. Vanaf 1631 werd hij steeds bekender en uiteindelijk besloot hij daarom naar Amsterdam te verhuizen. Hij kocht zich in bij kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh en trouwde met zijn nicht Saskia. Zij gingen in 1639 in de Sint Antoniebreestraat wonen. Het huis is momenteel het museum Het Rembrandthuis.

Na drie overleden kinderen werd Titus geboren in 1641. Saskia stierf kort daarna. Rembrandt nam de weduwe Geertje Dircx uit Ransdorp als verzorgster voor zijn zoon aan. Ze kregen echter ruzie en hij kreeg het voor elkaar dat zij enkele jaren in het spinhuis in Gouda werd opgesloten. Zij werd opgevolgd door Hendrickje Stoffels, die in 1654 een dochter van Rembrandt kreeg, Cornelia. Rembrandt leefde echter jarenlang boven zijn stand en in 1658 werd zijn faillissement aangevraagd.

Na het faillissement ging hij in een huurhuis aan de Rozengracht wonen. Hendrickje en Titus werden gezamenlijk eigenaar van de schilder- en kunsthandel, zodat Rembrandt door kon gaan met schilderen. Hendrickje en Titus stierven in respectievelijk 1663 en 1668. Rembrandt zelf overleed op 4 oktober 1669 en werd begraven in de Westerkerk.

Werk en Stijl

Rembrandt wist in zijn werken twee technieken, wild en fijn schilderen, te combineren. Door zijn goede techniek was hij in staat een schilderij gelijk ruw op het doek te zetten. De meeste schilders maakten eerst een ondertekening in houtskool. Hij maakte ook meer dan anderen gebruik van een dikke onderschildering, die hij overschilderde met doorzichtige verf met een glaceertechniek. Tenslotte gebruikte hij ook de frottistechniek. De bijna droge verf bleef niet overal zitten en leverde een soort spikkels op.

Het werk van Rembrandt kent verschillende periodes, waarin hij van stijl veranderde. De eerste is zijn Leidse periode (1625-1631), waarin zijn schilderijen klein waren maar wel rijke details hadden. Hij gebruikte vooral allegorische en religieuze thema’s. Tussen 1632 en 1636 verbleef hij in Amsterdam en maakte hij vooral grote schilderijen met felle kleuren en dramatische thema’s. Ook maakte hij in deze periode veel portretten. In de jaren daarna maakte hij vooral veel landschappen, waarin de dreiging van de natuur naar voren kwam. Vanaf ongeveer 1640 werd zijn werk soberder. De schilderijen werden weer wat kleiner en vertoonden vaak Bijbelse taferelen. Een uitzondering hierop wordt gevormd door De Nachtwacht. Vanaf 1650 werden de schilderijen weer groter met felle kleuren. De nadruk lag op intieme portretachtige taferelen. In zijn laatste jaren schilderde hij vooral veel zelfportretten.

Bronnen

Rickets, M. (2006). Rembrandt. Lisse: Rebo Publishers.
Williams, H.L. (2009). Rembrandt. London: British Museum Press.